Mendelssohn

 

START
Omhoog
Bach
Buxtehude
Mendelssohn
Pachelbel
Reger
Scheidt
Telemann

 

Mendelssohn, toonaangevend in de Duitse cultuur

INLEIDING

Mendelssohn, familienaam van een Duitse, joodse familie, waarvan de leden als kunstenaars, geleerden, schrijvers en begunstigers van kunst en cultuur generaties lang het culturele leven in Duitsland mede hebben bepaald. In de eerste helft van de 19de eeuw vormden de Mendelssohns, met aangetrouwde leden als de kunstcriticus Friedrich Schlegel, de portrettekenaar Wilhelm Hensel en de schilder Joseph Settegast, een soort kunstenaarsgezelschap. De filosoof Moses Mendelssohn, zoon van de arme kopiist Menachem Mendel Dessau, heette eigenlijk Moses Dessau, maar noemde zich Mendelssohn. Hij had twee zoons, Jozef (1770–1848) en Abraham (1776–1835), stichters (1805) van een bloeiend bankiersbedrijf in Berlijn, dat in 1939 werd geliquideerd. Abraham voegde de naam van een familiebezit aan de rivier de Spree, Bartholdy, toe aan de familienaam en ging in 1816 met zijn familie over tot het christendom (Lutherse Kerk).

MOSES

(Dessau 6 sept. 1729 – Berlijn 4 jan. 1786), filosoof, onderwijzer, later zakenman in Berlijn, was in filosofisch opzicht autodidact. Hij was zeer bevriend met Lessing (die zijn persoon tekende in Nathan der Weise) en werd vooral beroemd, toen hij, vóór o.a. Kant, in 1763 een prijsvraag van de Berlijnse Academie van Wetenschappen won over de evidentie in de metafysische wetenschappen. Het lidmaatschap van de academie ontging hem echter wegens zijn jood-zijn. Na de dood van Lessing ontstond een polemiek tussen Jacobi en Mendelssohn over de aard van Lessings spinozisme, die uitliep in de zgn. Pantheismusstreit, waarbij verscheidene filosofen betrokken waren en waarin de tegenstelling rationalisme-irrationalisme (vertegenwoordigd door resp. Mendelssohn en Jacobi) het hoofdmotief was. Mendelssohn was een van de voornaamste Verlichtingsfilosofen, die religie en wereldbeschouwing op rationele wijze wilden funderen. Hij gaf bewijzen voor de onsterfelijkheid van de ziel en het bestaan van God, hoewel Immanuel Kant al eerder dergelijke bewijzen ontzenuwd had. Ook was hij een voorvechter van tolerantie in godsdienstig opzicht en van de scheiding van kerk en staat. Mendelssohn is een van de grote figuren van het moderne jodendom en is van onschatbare betekenis geweest voor de politiek en sociale emancipatie van de Europese joden. Zijn vertaling van de Pentateuch werd een van de klassieke boeken van het Duitse jodendom.

WERK

Philosophische Gespräche (1755); Briefe über die Empfindungen (1755); Betrachtungen über die Quellen und die Verbindungen der schönen Künste und Wissenschaften (1757); Abhandlung über die Evidenz in den metaphysischen Wissenschaften (1764); Phädon oder über die Unsterblichkeit der Seele (1767); Jerusalem oder über religiöse Macht und Judentum (2 dln., 1783); Morgenstunden oder Vorlesungen über das Dasein Gottes (1785); Moses Mendelssohn an die Freunde Lessings (1786).

UITG

Werke, uitg. d. G.B. Mendelssohn (7 dln., 1843–1844); Die Hauptschriften zum Pantheismusstreit, uitg. d. H. Scholz (1916); Ges. Schriften Jubiläumsausg., uitg. d. I. Elbogen e.a. (1929–1938; herdr. en voortzetting, d. A. Altman e.a., 20 dln., 1971 vv.); M. Mendelssohn. Ästhetische Schriften (keuze), uitg. d. O.F. Best (1974).

FELIX

Felix Mendelssohn-BartholdyNoemde zich Mendelssohn-Bartholdy (Hamburg 3 febr. 1809 – Leipzig 4 nov. 1847), componist, dirigent, pianist en organist, kleinzoon van Moses, kreeg piano-onderricht van zijn moeder, Lea Salomon, en van L. Berger, leerde viool spelen bij Hennings en studeerde muziektheorie bij Carl Zelter in Berlijn. Als 9-jarige trad hij voor het eerst op als pianist en vier jaar later componeerde hij zijn eerste kwartetten en een magnificat voor koor en orkest; in 1824 schreef hij zijn eerste in de officiële werkenopgave opgenomen symfonie (in c, opus 11). Zijn begaafdheid werd in het ouderlijk huis zorgvuldig gecultiveerd, waarbij zijn gezichtskring geenszins werd beperkt tot de muziek: hij beheerste vier talen en was goed op de hoogte van literatuur, geschiedenis, filosofie en schilderkunst. Bovendien stelde zijn vader hem een klein eigen orkest ter beschikking, waardoor hij de gelegenheid kreeg zijn composities dadelijk zelf te horen en zich ook als dirigent te bekwamen.

In 1821 leerde hij Carl Maria von Weber kennen, voor wie hij grote bewondering koesterde, en in hetzelfde jaar ontmoette hij Goethe, die hem sedertdien met vaderlijke belangstelling bejegende. Mendelssohn was zeventien jaar, toen hij zijn eerste repertoirestuk componeerde, de ouverture Ein Sommernachtstraum bij Shakespeares toneelstuk; hij was twintig jaar, toen hij erin slaagde een – door hem zelf gedirigeerde – uitvoering door te zetten van Matthäus Passion, van Bach, die na diens dood in de vergetelheid was geraakt.

In 1829 reisde hij naar Schotland; de muzikale neerslag van deze reis vormt zijn Hebriden-ouverture (ook genoemd Die Fingalshöhle, 1830, omgewerkt 1832); tussen 1830 en 1832 reisde hij door Italië (Italiaanse symfonie, nr. 4, 1833), naar Parijs en naar Londen, van waaruit zijn roem als componist zich verbreidde. In 1833 leidde hij de Rheinische Musikfeste in Düsseldorf, wat zijn benoeming tot stedelijk muziekdirecteur aldaar tot gevolg had (tot 1834). In 1835 werd hij dirigent van de Gewandhaus-concerten te Leipzig, welke instelling door hem wereldvermaardheid kreeg (hij voerde er de traditionele orkestopstelling in), evenals het later (1843) mede door hem aldaar opgerichte conservatorium, waarvan hij tot zijn dood directeur was; hier hadden o.a. de eerste uitvoeringen van zijn Schotse symfonie, nr. 3 (1842) en van zijn vioolconcert in e (1844) plaats.

De universiteit van Leipzig verleende hem in 1836 een eredoctoraat. In 1837 huwde Mendelssohn Cécile Jeanrenaud, uit welk huwelijk vijf kinderen werden geboren. Tussen 1841 en 1845 werkte hij enkele malen voor koning Frederik Willem IV in Berlijn, waar hij o.a. (15 jaar na de ouverture) de toneelmuziek bij Shakespeares Midsummernight's dream schreef en waar hij voor het kathedraalkoor cantates op psalmteksten schreef. De overmatige inspanning die hij van zichzelf vergde, ondermijnde echter op den duur zijn gezondheid; het overlijden van zijn lievelingszuster, de muzikaal uiterst begaafde Fanny, verhaastte zijn dood.

Mendelssohns muziek is een beminnelijke weerspiegeling van een gelukkige, evenwichtige en fantasierijke persoonlijkheid. De romantische gevoeligheid ervan neigt, vooral in sommige van de Lieder ohne Worte (voor piano), naar sentimentaliteit, maar zijn beste werken behoren door hun vormkwaliteit, hun verfijnde coloriet en natuurlijkheid van expressie tot de populaire repertoirestukken. In zijn scherzi schiep hij een eigen, meesterlijk genre. Hij werd beïnvloed door het werk van Wolfgang Amadeus Mozart, Bach en Händel. In korte tijd ontwikkelde hij op zeer jonge leeftijd echter een eigen, lyrische stijl (minder revolutionair dan het late werk van Beethoven), die kan worden gekarakteriseerd als romantisch-classicistisch. Typerend is het in alle genres voorkomende liedkarakter van de thematiek. In zijn werk spelen buitenmuzikale, met name literaire invloeden een belangrijke rol. Zijn oeuvre omvat nagenoeg het gehele terrein der compositiegenres. De muziekafdeling van de Deutsche Staatsbibliothek (Berlijn) bewaart zijn muzikale nalatenschap (na 1945 nog 42 delen; een deel van de persoonlijke nalatenschap wordt bewaard in de universiteitsbibliotheek van Oxford.

WERK

Behalve de genoemde): 5 symf. (1824–1842), w.o. II, Lobgesang (1840, symf. cantate), V, Reformations-Symphonie (1830); 12 symf. v. strijkork. (1820–1825); 3 concertouvertures, w.o. Meeresstille und glückliche Fahrt (ca. 1832), Zum Märchen von der schönen Melusine (1833); vioolconcert in d (1822; in 1952 ontdekt); 3 pianoconcerten; concert voor 2 piano's en ork. in E (1823); idem, in As (1824).

Kamermuziek: 3 pianotrio's; 3 pianokwartetten; pianosextet; 7 strijkkwartetten; 2 strijkkwintetten; strijkoctet; 2 sonates v. cello en piano; sonate v. viool en piano; sonate v. altviool en piano.

Pianomuziek: 2 sonates; 3 variatiewerken, w.o. Variations sérieuses (1841); fantasieën; Lieder ohne Worte, opus 19, 30, 38, 53, 62, 67, 85, 102 (1833–1845).

Orgelmuziek: 3 preludes en fuga (1837); 6 sonates (1845).

Opera's: Die Soldatenliebschaft (1820; tekst J.L. Casper); Singspiel Die beiden Pädagogen (1821; Casper, naar Scribe); Die wandernden Komödianten (1821–1822; dialoog verloren); Der Onkel aus Boston oder die beiden Neffen (1822–1823; idem); Die Hochzeit des Camacho (1824–1825; tekst Klingemann verloren); Heimkehr aus der Fremde (1829; Liederspiel).

Toneelmuziek: Antigone (1841; Sophocles); Ödipus in Kolonos (1845; Sophocles).

Vocale muziek: 2 cantaten: Die erste Walpurgisnacht (1832; tekst Goethe), An die Künstler (1846; tekst Schiller); 2 oratoria: Paulus (1836), Elias (1846); psalmen, liederen.

UITG

Gesamm. Ausg., d. J. Rietz (49 dln., 1874–1877). – Brieven: Briefe aus den Jahren 1830 bis 1847, d. J. Rietz (81915); Reisebriefe, d. P. Sutermeister (21958); Meister-Briefe F. Mendelssohn Bartholdys, d. E. Wolff (1907); Letters, d. G. Selden-Goth (1945; herdr. 1969); F. Mendelssohn Bartholdy, Ein Lebensbild in Briefen und zeitgenoss. Urteilen, d. H. Weiss (1947); Briefe, d. E. Elvers (9 dln., 1968 vv.); Glückliche Jugend. Briefe des jungen Komponisten (1971); Briefe aus Leipziger Archive, d. H.J. Rothe en R. Szeskus (1972).

ARNOLD LUDWIG

(Ratibor [thans Pools: Racibórz] 26 dec. 1855 – Darmstadt 18 febr. 1933), componist, achterneef van Felix, doceerde aan het gymnasium in Darmstadt, waar hij tevens Kirchenmusikdirektor was. Vanaf 1912 doceerde hij aan het Dr. Hochs Konservatorium in Frankfurt a.M., waar Hindemith tot zijn leerlingen behoorde. Met zijn koorwerken, w.o. Die Seligpreisungen voor soli, koor en strijkkwartet (1933), heeft hij bijgedragen tot de vernieuwing van de protestantse kerkmuziek in Duitsland. Hij componeerde ook opera's (Der Bärenhäuter, 1900), orkest- en kamermuziek en liederen.

ALBRECHT

Noemde zich Mendelssohn-Bartholdy (Karlsruhe 25 okt. 1874 – Oxford 26 nov. 1936), volkenrechtsgeleerde, kleinzoon van Felix, werd in 1905 hoogleraar te Würzburg en in 1920 te Hamburg. Hij heeft zich vooral beziggehouden met de verbetering en uitbreiding van de Duitse betrekkingen met de Verenigde Staten en met de grondslagen van de internationale en diplomatieke verhoudingen. In 1933 werd hij uit Duitsland verdreven en in 1934 werd hij hoogleraar in Oxford.

WERK

Grenze der Rechtskraft (1910); Räumliches Herrschaftsgebiet des Strafgesetzes (1910); Bürgertugenden in Krieg und Frieden (1917); Irland, ein Beispiel der Machtpolitik (1918); Völkerbund als Arbeitsgemeinschaft (1918); Der Volkswille (1919); Die grosse Politik der europäischen Kabinette, 1871–1914 (40 dln. in 54 bdn., 1922–1927); Diplomatie (1927); European situation (1927); The war and German society (1937); Renvoi in modern English law (1937; m. J. Lepsius en F. Thimme).


Bach Händel Mozart

Bijgewerkt 15-jan-2007 START | Omhoog