![]() |
|
De Schuifkoppel, Issue #001 -- Orgelmuziek.com October 29, 2004 |
| Hallo orgelmuziekliefhebbers, Het eerste nummer van "De Schuifkoppel", vierwekelijkse nieuwsbrief van website Orgelmuziek.info Muziek voor iedere organist!Het doel van deze website is om iedere (kerk)organist de nodige informatie te verschaffen over orgelmuziek. Zo kan men een verantwoorde keuze maken uit het wereldwijde aanbod van (gratis) bladmuziek voor orgel...Daarnaast is het doel enige achtergrondinformatie te geven over zowel (kerk)orgels als (klassieke) muziek. De gegevens staan soms op de website zelf, maar vaak zullen we u ook doorverwijzen, via webkoppelingen.
INHOUDSOPGAVE:1 het ORGEL2 de MUZIEK 3 INFOrmatie 1 Het ORGEL in de NH Kerk te Midwolde en de bouwer A.A. HintsIn 1770 stelde Albertus Antonius Hints een bestek op voor het maken van een nieuw orgel. Hij was meesterknecht bij de grootste orgelbouwer uit de barok Arp Schnitger, daarna bij diens zoon F.C. Schnitger, waarna hij later een eigen bedrijf begon.De Praestant 8' van het hoofdwerk en pedaal, en de Praestant 4' van het rugwerk dienden van Engels tin te worden vervaardigd. Het overige pijpwerk zou bestaan uit een legering van 2/3 lood en 1/3 tin. De beide handklavieren zouden een omvang krijgen van C-d'''. De toetsen moesten van ivoor worden gemaakt en de semi-toetsen van zwart ebbehout. In het windkanaal moest de orgelmaker twee tremulanten aanbrengen, de ene met een langzame en de andere met een snelle slag. Verder kreeg Hints de opdracht drie afsluitingen en een registertrekker voor het bedienen van de klavierschuifkoppeling te vervaardigen. In totaal zijn er 40 registertrekkers aanwezig. Het orgel heeft 2154 sprekende en 50 loze pijpen. Sprekende pijpen zijn piepen die, wanneer er een toets wordt aangeslagen, geluid voortbrengen, terwijl de loze pijpen alleen als sieraad dienen. In 1772 werd het orgel voltooid en op 30 augustus ingewijd door de heer J.H. Tammen, organist en klokkenist van de Martinikerk in Groningen. De familie Hora, toendertijd bewoner van de Ennemaborg, heeft evenals bij de bouw van de kerk een belangrijke bijdrage geleverd aan de totstandkoming van het grootste orgel van de provincie Groningen, buiten de stad Groningen zelf dan... Het orgel heeft inmiddels drie restauraties ondergaan, namelijk: 1834 door de firma H.E. Freytag: De Scherp III-IV van het rugwerk is vervangen door een Fluit travers 8 voet discant. 1897 door de firma Van Oeckelen uit Haren: De pijpen in het groot octaaf van 16 voet Gedackt op het hoofdwerk werden vervangen door houten, wat eveneens gebeurde met de Bourdon 16 voet van het pedaal. De Fluit travers 8 voet discant uit 1834 werd vervangen door een nieuwe Viola di Gamba 8 voet vanaf c. Alle tongwerken werden doorslaand gemaakt. De frontpijpen werden gepolijst en de mechanieken verbeterd. 1971 door de firma Flentrop te Zaandam: In 1965 demonteerde men het orgel vanwege een kerkrestauratie. Een deel van het orgel was opgeborgen in de oude pastorie. Toen in 1968 het kerkgebouw weer in gebruik werd genomen, waren de frontpijpen inmiddels van een nieuwe tinfolie voorzien en opnieuw geplaatst. De zwartgeworden eikenhouten kast werd afgeloogd en van een rode "ossebloed" kleur voorzien. Het orgel werd bij deze restauratie teruggebracht in de oude staat naar de gegevens uit het boek 'Dispositiën der merkwaardigen kerkorgelen' door J. Hess, organist en klokkenist te Gouda (1774). Op de historische datum 30 augustus 1972 was de weder in gebruikneming van het orgel. Vanaf die tijd worden er jaarlijks zes orgelconcerten door de plaatselijke orgelcommissie georganiseerd. Zo speelde bijvoorbeeld de organist Wim van Beek van de Martinikerk te Groningen op 1 mei 2004 werken van Matthias Weckman (1619-1674), Johann Sebastian Bach (1685-1750), Felix Mendelssohn-Bartholdy (1809-1847), John Stanley (1713-1786) en Domenico Zipoli (1688-1726). Een bewijs van de veelzijdigheid van orgel én organist! Bron: T. Kiewiet, Ned. Herv. Kerk Midwolda (1988)2 De MUZIEK van organist Sietze de Vries uit ZuidhornSietze de Vries (*1973) ontving zijn eerste orgellessen van Jaap Niewenhuijse aan de muziekschool te Gouda. Aan het Stedelijk conservatorium te Groningen studeerde hij bij Johan Beeftink, Jan Jongepier (improvisatie) en Wim van Beek. In 1994 behaalde hij als laatste leerling van Wim van Beek het diploma Docerend Musicus met de hoogste onderscheiding. Het Uitvoerend Musicus diploma behaalde hij in 1996 aan het Koninklijk Conservatorium te 's Gravenhage bij Jos van der Kooy. Bij hem studeerde hij ook improvisatie en kerkmuziek.Sietze de Vries is zeer actief als concerterend organist in binnen- en buitenland. Ook behaalde hij vijftien prijzen bij diverse nationale en internationale orgelconcoursen. Zijn literatuurspel werd bekroond met o.a. de eerste prijs van het Hindemith-Micheelsen concours van de NCRV (1996), de Hagerbeerprijs en de Flentropprijs van het internationale Schnitger-concours te Alkmaar (1999 en 2001) en de eerste prijs van het internationale concours l'Europe & l'Orgue te Maastricht, Aken en Luik (2000). Op improvisatiegebied won hij eerste prijzen bij o.a. het nationale improvisatieconcours te Zwolle (1999) en het BACH-improvisatieconcours te Amersfoort (2000). In 2002 won hij het internationale improvisatieconcours te Haarlem, waarvan hij in 1998 en 2000 ook al finalist was. Sietze de Vries is op diverse CD's te beluisteren; als interpreet van literatuur uit alle stijlperioden, maar ook als improvisator in diverse stijlen. Ook is hij te horen als koor- en samenzangbegeleider op verschillende CD's. Op het moment van verschijnen van deze nieuwsbrief is hij net terug van een concerttournee in de Verenigde Staten van Amerika. In een interview met collega-organist Willem van Twillert halverwege 2002 zei Sietze de Vries onder meer: "Van de orgellessen van Johan Beeftink, Jan Jongepier, Wim van Beek en Jos van der Kooy heb ik veel geleerd; het was ook zeer verrijkend om verschillende docenten mee te maken. Dat zet je ook aan het denken over hoe je zelf les geeft. Het improviseren in verschillende stijlen is voor mij altijd volstrekt normaal geweest; het idee om er één stijl op na te houden is voor mij net zo absurd als het idee dat je werken van één componist zou spelen. Als ik me verdiep in een bepaalde stijl, krijg ik ook onmiddellijk creatieve impulsen om in die stijl te improviseren.” Geef eens een schets van je muzikale ontwikkeling tijdens de vakstudie? “Ik zei al dat ik in m’n beginperiode nog duidelijk in de ‘Zwart-hoek’ zat. Feike Asma was mijn grote idool: zijn lp’s heb ik grijs gedraaid. Toch vond ik bijvoorbeeld de ‘acht kleintjes’ van Bach ook prachtig toen ik die met een jaar of elf ging spelen. En Prélude, Fugue et Variation van Franck: wat een fantastische ervaring om die muziek te leren kennen! Geleidelijk aan ontdek je steeds meer diepere lagen in muziek, en ga je meer en meer je horizon verbreden. Enkele speerpunten waren toch wel het ontdekken van mogelijkheden in de articulatie (Van Beek!) en de schoonheid van moderne muziek (Messiaen e.a.). Ook de enorme uitwerking die het beluisteren en ontleden van allerlei muziekstijlen en soorten (zeker niet alleen orgel!) op je spel heeft, is enorm. Hier kan ik met name nog de Engelse kathedraalkoren noemen: die hebben grote indruk op mij gemaakt. Ook de inburgering in het Groninger orgellandschap is van wezenlijk belang geweest voor mijn muzikale vorming; je leert onnoemelijk veel van de omgang met oude instrumenten zoals in Krewerd, Kantens, Zeerijp, Uithuizen, Leens, Appingedam enzovoort.” Wat zou je graag veranderd zien in de (vak)opleidingen? “Ik zit als nog niet eens dertigjarige organist natuurlijk niet in een positie om gerenommeerde instellingen de les te lezen, maar vanuit mijn betrekkelijk korte praktijkervaring zijn me wel een paar dingen opgevallen. Wat ik mis in veel orgelopleidingen is het vak improviseren. Gelukkig komt hier wel steeds meer aandacht voor; op het Haagse conservatorium kon ik het zelfs als speciaal vak volgen, en er ook in afstuderen. Maar eigenlijk zouden muziekscholen er al mee moeten beginnen; alleen als je eigen creativiteit blijft ontwikkelen in samenhang met het leren spelen van literatuur, kun je werkelijk het ‘ambacht’ van improviseren onder (en boven) de knie krijgen. Als je het slecht als een soort uitlaatklep voor eigen(tijdse) creativiteit ziet, blijft het erg mager. Veel is natuurlijk afhankelijk van de docent: op een conservatorium waar ze een hoofdvakdocent orgel hebben die zelf veel en graag improviseert, zal de aandacht hiervoor ook groter zijn. Verder valt me op, dat veel (jonge) organisten de achtergrondkennis van orgelliteratuur missen. Dit komt met name doordat de link orgel – kerk steeds zwakker wordt. De meeste orgelmuziek (neem alleen al Bach) is met het oog op liturgische doeleinden geschreven, maar voor veel organisten is deze wereld totaal onbekend (geworden). Als je muziek alleen interpreteert vanuit het notenbeeld en geen kennis hebt van de koralen of de liturgische functie, kom je niet ver. Je ziet dit dan ook terug in concertprogramma’s: de samenhang is soms ver te zoeken. In feite is dat merkwaardig: juist nu is er zoveel studiemateriaal voorhanden!”
“Het idee er één stijl op na te houden is voor mij absurd”Je bent als improvisator veelzijdig en je niveau is in alle stijlen bijzonder hoog te noemen. Wanneer ik terugkijk in de recente orgelgeschiedenis, concludeer ik dat jij een van de weinigen bent die, anno nu, zich durft te vertonen in alle stijldisciplines. Ben je het eens met de eerste vaststelling?“De kerkgangers in Zuidhorn krijgen veel verschillende klanken te horen, en vaak heeft dat te maken met het concert dat ik dan in de afgelopen week gegeven heb. Ik zou ook niet willen kiezen voor één bepaalde stijl; wel probeer ik steeds vanuit het instrument waar ik op speel te denken. Op een Schnitger-orgel speel je niet alleen andere literatuur dan op bijvoorbeeld een Adema-orgel, maar je improviseert er ook anders op. Hierin ben ik zeker niet de enige: Klaas Bolt deed het, en Jan Jongepier vind ik nog steeds één van de grootste improvisatoren; van ieder orgel weet hij feilloos het karakter naar buiten te brengen.” Je hebt wel eens het verwijt gekregen uit orgelacademische kringen, om het zo maar samen te vatten, dat je door terug te grijpen op stijlen uit het verleden, de voortgang van de orgelliteratuur zou kunnen belemmeren. Wat vind je van die kritiek? “Die kritiek suggereert dat er nog steeds een doorgaande lijn in de orgelkunst te ontdekken is. De praktijk is, dat men in de orgelbouw bijna uitsluitend historiserend is gaan werken, en dat ook steeds meer componisten teruggrijpen op de muziekhistorie. In het vernieuwingsproces is veel van de oude ambachten, met hun natuurgegevens als drieklanken en verhoudingen, verloren gegaan. Zo’n proces is misschien ook wel noodzakelijk om tot iets nieuws te komen, maar dat is tegelijk het probleem: ís er wel iets nieuws? Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat er veel geëxperimenteerd is en wordt, maar dat zowel de orgelbouw als de scheppende toonkunst op orgelgebied geen wezenlijk nieuwe zaken gebracht hebben in de tweede helft van de vorige eeuw. Ook heb ik niet het idee dat we ergens naar toe gaan, het lijkt meer op een zoektocht die vooral terugblikt. De rijkdom van deze tijd is denk ik juist, dat we zoveel documenteren, en veel kennis en overzicht hebben van allerlei tijdperken. Opvallend is, dat we juist daardoor zijn gaan ontdekken hoeveel moois er in al die oude kunsten samengebald is: het idee dat we door de tijd heen beter en slimmer worden is daardoor wel tenietgedaan! Tegelijk vind ik dat er wel een duidelijke plaats moet zijn voor eigentijdse muzikale creativiteit, maar dan wel naast, en niet boven of in plaats van andere al dan niet geïmproviseerde muziek. Het is trouwens ironisch dat veel organisten die beweren ‘eigentijds’ te improviseren, een idioom gebruiken dat soms al vijftig of honderd jaar oud is. De dodecafonie (twaalftoonstechniek) is al een eeuw oud, en Messiaens modi zijn ook bepaald niet modern meer te noemen ... Waarom zou ik dan niet het recht hebben om in een stijl van twee- of driehonderd jaar geleden te improviseren, vooral als dat bij het orgeltype past? Bovendien moet het wel functioneel blijven: het overgrote deel van de muziekliefhebbers is nu eenmaal niet meegegroeid met modernere muziekstijlen. Dat wil niet zeggen dat je dat nooit moet laten horen, maar je hebt natuurlijk wel rekening te houden met je publiek; je speelt toch in de eerste plaats voor hen, en niet voor jezelf. Ook composities moeten functioneel zijn; ik kan wel allerlei originele gedachten in een modern idioom aan het papier toevertrouwen, maar als dat vervolgens in een la verdwijnt en niet gespeeld wordt, is het weinig zinvol. Bovendien schrijf ik het liefst voor de kerkorganisten als doelgroep: dat is een dankbare markt, die zinvol gebruik maakt van je werk.” Zijn er naast jouw docenten nog andere personen die voor jouw loopbaan bijzonder bepalend zijn geweest? “Op deze plaats wil ik zeker orgelbouwer Bernhardt Edskes noemen. Sinds ik hem in 1999 voor het eerst ontmoette, heb ik onnoemelijk veel van hem geleerd. Vooral omdat hij zeer bereisd is – ‘the Flying Dutchman’ noemt hij zichzelf – heeft hij veel praktijkervaring met orgels en muziekbeoefening in verschillende landen. Hij is niet alleen orgelmaker en organist, maar heeft een zeer brede interesse als het om (levens)kunst gaat. Hij heeft voor mij veel deuren in het buitenland geopend, omdat hij daar een bekend en gerespecteerd orgelmaker is. Bernhardts broer Cor Edskes is ook een onuitputtelijke bron van kennis; door zijn enorme kennis als organoloog weet hij verbanden te leggen die zeer overtuigend en verrassend zijn. Ook hij heeft me vele praktische tips gegeven op het gebied van interpretatie en registratie van oude muziek. Verder is het onmogelijk om iets in dit vak te bereiken zonder een trouwe vriendenkring om je heen. Ze stimuleren je, geven je ideeën maar ook kritiek, en geven je een thuisbasis die voor de onmisbare rust en balans zorgt.” Heb je een voorliefde voor een bepaalde stijlperiode in de orgelbouw? “Het mooie van ons instrument is, dat er wereldwijd zo enorm veel variatie in te vinden is. Maar als ik dan toch één orgeltype uit zou moeten kiezen, wordt dat zeker het Noord-Duitse barokorgel. Zoals Arp Schnitger zijn instrumenten bouwde, die perfecte samenhang tussen alle onderdelen, de vormgeving, de uitgebalanceerde disposities: dat is voor mij toch wel een piek in de orgelhistorie. Op dit orgeltype voel ik me thuis, en voel me daarom als een vis in het water in het hoge noorden. Vanuit dit ‘thuisgevoel’ speel ik daarnaast ook graag ter afwisseling op andere orgeltypen, waarbij het Frans-romantische orgel zoals Cavaillé-Coll dat bouwde één van mijn favorieten is. Het kleuren met registercombinaties en de enorme dynamische mogelijkheden (zwelkast e.d.) spreken enorm tot mijn verbeelding, zeker in combinatie met grote kathedralen. Orgels gaan ook pas echt leven wanneer je er de passende muziek op speelt. Zo was het voor mij een openbaring om Ein' feste Burg van Reger op het grote Sauer-orgel in Leipzig te spelen. Opeens is het volstrekt duidelijk waarom Reger die krankzinnige hoeveelheid noten aan het papier toevertrouwde: zo’n orgel heeft dat nodig. Als je dat werk vervolgens op een achttiende-eeuws Nederlands orgel met veel vulstemmen wilt spelen, moet je de klankwereld van zo’n Sauer-orgel wel in je achterhoofd hebben, en aan het vertalen slaan.” Bron: maandblad 'De Orgelvriend', april en mei 20023 INFOrmatie over kerkorgels in Nederland en BelgiëTijdschrift: de OrgelvriendVolgens de uitgever Boekencentrum kunt u als orgelliefhebber niet zónder ...
de Orgelvriend brengt maandelijks: - nieuws over gerestaureerde en nieuwe pijporgels in het Nederlandse taalgebied - actuele informatie over manifestaties, excursies, concoursen en projecten - besprekingen van nieuwe cd’s, boeken en bladmuziek - een uitneembare muziekbijlage (ook in klavarnotatie) - een complete opgave van orgelprogramma’s op de radio - een uitgebreide en actuele concertagenda
Daarnaast bevat de Orgelvriend geregeld: - interviews met organisten en orgelbouwers - schetsen over componisten - achtergrondinformatie bij actuele zaken en bijzondere projecten
de Orgelvriend - Gerco Schaap, eindredacteur Postbus 5014 - 3740 GA BAARN - telefoon: 035 – 5421228 de Orgelvriend Tijdschrift de Orgelvriend
Er zijn meer organisaties voor organisten en tijdschriften over kerkorgels, bijvoorbeeld:
Het tweede nummer van Nieuwsbrief "De Schuifkoppel" krijgt u toegezonden rond vrijdag 26 november 2004. We geven weer aandacht aan: een organist/componist, een orgelbouwer/kerkorgel en (nieuwe) orgelmuziek. Tot dan, Wim Wilts
|